04 april 2007

Waarom Jan Marijnissen er toch niet erg ver naast zat

Opnieuw opwinding in Holland.
Opnieuw, schijnbaar, over paspoorten, immigranten en tolerantie.
Nederland is waaratje wel betrokken bij dringendere zaken. Maar daarover deze keer maar eens niet.
Zonder omwegen naar SP-leider Jan Marijnissen, dus, die zaterdag in "De Telegraaf" zei, dat het "een dikke plus" zou zijn als PvdA-staatssecretarissen Albayrak en Aboutaleb zouden kiezen voor één van hun twee paspoorten, het Nederlandse liefst.

Ik doe niet mee met de heren-van-de-selectieve-verontwaardiging die nu over Jan-met de-pet heenvallen. Ook niet met de commentatoren die alles meteen betrekken op de positie van betrokken politicus. Het is het weerbericht niet. En al evenmin over de vraag of het aardig van Jan was tegenover de PvdA, al was het dat niet.


Jan Marijnissen 2003. Foto Maurice Boyer, NRC-Handelsblad.

Ik wil het hebben, over wat ik denk, dat de achtergrond is van het specifieke SP-Marijnissen standpunt in deze kwestie. Dat is interessant en belangrijk, want het raakt aan een heel fundamenteel gebrek, of noem het handicap, of weeffout, in de Nederlandse cultuur. En de SP onder leiding van Marijnissen is van begin af aan ingegaan tegen berusting in dat gebrek. Eerst, zoals wij allemaal, zoekend en soms missend, maar met de tijd steeds duidelijker en gerichter.

Het geldt de onverschillige ondergrond van de fameuze Nederlandse tolerantie. Onverschilligheid, paradoxalerwijze sterk verbonden met xenofobie, dus met intolerantie, die in de afgelopen jaren luidruchtig naar de bovengrond is verhuisd.

"De Lege Tolerantie - Over vrijheid en Vrijblijvendheid in Nederland"
is een bundel artikelen van Nederlandse auteurs (Boom, 2001) van zowel linkse- als rechtse signatuur, waarin wordt afgerekend met de zelfgenoegzame illusies die samengaan met de idee van "souvereiniteit in eigen kring", het steriele ideaal van "diversiteit" als grondbeginsel, enzovoort. Het begon blijkbaar al te dagen in 2001, een jaar voor de Fortuyn-omwenteling. Diversiteit is niet plat en onbeweeglijk. In de practijk betekent diversiteit een onuitgesproken hiërarchie. En binnen een hiërarchie hebben degenen die bovenaan zitten er onvermijdelijk belang bij, dat de diversiteit zo gestructureerd blijft als ze is. Emancipatie, empowering, zijn er niet bij.

Cliëntelisme
Vertaald naar economische-, sociale- en politieke verhoudingen, leidt dat tot cliëntelisme. In ruil voor de meegebrachte stemmen, wordt aan een lid van een groep die lager in de sociale hierarchie staat, een junior-plek aangeboden in bedrijf, gemeenteraad of stichtingsbestuur.
Emancipeert de betrokken cliënt te veel, "krijgt hij/zij teveel praatjes", dan volgt vervanging door een volgzamer groepslid. Behalve, wanneer het een Hirsi Ali is, die negatieve dingen over haar achterban durft te zeggen, die aansluiten bij vooroordelen die een nette tolerant haast niet durft te denken, laat staan uitspreken. En dan nóg: Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan - der Mohr kann gehen. In dit geval naar een volgende tijdelijk plek, het neoconservatieve American Enterprise-Institute.

De Polder als bevrijding en begrenzing
Waar komt die typisch Hollandse (niet: Nederlandse-) lege tolerantie vandaan? Letterlijk: Uit de polder. En het is in beginsel een waardevol cultuurgoed! De beheersing van het water vanuit steeds dieper wegzakkende landerijen, dwong tot een ver doorgevoerde samenwerking tussen naburen, want de in de middeleeuwen ruimschoots voorradige edelen en kerkelijke vorsten leenden zich niet ervoor om daaraan leiding te geven. Het was zelfbeheer, zelforganisatie en het vergde een democratische-, zij het dwingende-, sociale structuur. De bewoners en gebruikers van de laagste van de Lage Landen zijn er zodoende aan gewend geraakt om hun eigen boontjes te doppen, vreemde inmenging te weren en (polder-)compromissen te sluiten met aanpalende waterschappen en, als het moest, met de overkoepelende hoogheemraadschappen, die men nodig had, om toe- en afvloeiing van water eerlijk te verdelen en uitgangen naar zee en grote meren te verschaffen. Naar dat model was de Republiek de Zeven Provinciën tot 1797 georganiseerd. Diversiteit werd al getolereerd, namelijk in de vorm van de minder lage (en minder rijke) provinciën en in de Generaliteitslanden Brabant en Limburg, die nog iets lager op de diversiteitsladder-hiërarchie stonden. (De laatste waren niet eens vertegenwoordigd in de Generale Staten in Den Haag.)

Naar dit model ook, heeft de Nederlandse godsdienstbeleving vorm gekregen: Consistorieën waren kleine waterschappen die souverein wilden blijven in eigen kring. Synodes alleen bij hoge noodzaak, een verhouding, zoals die tot hoogheemraadschappen. Het werkte (en werkt nog) door tot in de oppositiebewegingen in de RK Kerk. Het werkte ook door tot in Nederlands-Indië, waar het Binnenlands Bestuur de inlandse "diversiteit", tolereerde, ja zelfs instandhield, mits de Hoofden van Lebak maar hun achterban volgzaam hielden. Gods water over Gods Akker laten lopen, maar wel door de door ons aangewezen slootjes.

De Zuil als identiteitssymbool
Dusdoende, ontwikkelde zich op nationaal niveau het zuilenstelsel. Identiteit ontleend aan de eigen zuil, solidariteit vrijwel uitsluitend binnen de eigen zuil, hiërarchisch gestructureerd zelfbeheer binnen de zuil, waarbij aan de zuilenleiders werd overgelaten om met de andere zuilenleiders te polderen. Zo verwerd een uniek, zelfbewust en vrijheidlievend systeem, afgezien van anarchistische- (Friesland en Groningen, Amsterdam) en anti-autoritaire uitgroeisels, tot een ongeschreven-, voor een buitenstaander of immigrant moeilijk doorzichtig-, star systeem van gedragscodes, buitenwettelijke tolerantie en isolement.

Op de helft van de vorige eeuw, stortte het systeem ineen. De expansief toegenomen communicatie, de migratiebewegingen binnenslands ten behoeve van industrie en handel, de leegloop van het platteland, de emancipatie van de vrouw, de crisis van de ideologieën en de religies - alles droeg ertoe bij, dat er behoefte ontstond aan andere-, nieuwe-, grondslagen voor solidariteit en onderlinge ondersteuning bij emancipatie. De polder was definitief te klein geworden als referentiekader.

"Referentiekader" is identiteit
Bij gebrek aan nieuwe referentiekaders echter, blijven de oude als mythen voortbestaan. Ze zijn ons dierbaar als lastige familieleden. De Communistische Partij, noch de Sociaaldemocratie, hebben in Nederland de moed gehad, om te doen wat de SP probeert, namelijk: nieuwe referentiekaders voor onderlinge solidariteit te scheppen. De SP is daarmee begonnen op de schaal van de wijk, de volksbuurt. Niet meer met gezamenlijk waterbeheer, maar met gezamenlijk gezondheidsbeheer, dat zijn verlengde kreeg in allerlei andere vormen van belangenbehartiging op solidaire schaal. De SP wist, of ontdekte, dat "referentiekader" een abstract, droog, begrip is. Een bundeling van mensen, bereid en in staat tot solidariteit, dus tot opofferingen van het individu voor het geheel, behoeft een gezamenlijke mythe, een eigen identiteit. "Ik ben Ossenaar" houdt in, dat ik behoor tot de mensen die zich geëmancipeerd hebben uit de slachterijen en de reuzenfabriek van Van den Bergh & Jurgens. Ik ben trots op ons eigen margarine-museum, waar wordt bewaard, hoe mijn oom, mijn grootvader en mijn zuster moesten werken. En hoe ze zich uit dat lot hebben weten los te maken.

Zonder identiteit, geen solidariteit!
Diversiteit: De echte, de relevante, diversiteit zit in de mensen zelf. Ik heb niet één identiteit (Ossenaar), maar ik ben ook katholiek, of juist niet, en ik ben Brabander, of juist niet. Diversiteit tussen mensen berust niet op een vast identiteiten-patroon, maar op een wisselend, zich ontwikkelend (soms verschralend) bont patroon van individuele identiteitssamenstellingen.

Niveau van referentiekader, niveau van identificatie, trots en vermogen tot zelfopoffering en ... èchte tolerantie
Meer en meer wordt macht uitgeoefend boven het overzichtelijke naburen- en kleine-stads-niveau. Daarom heb ik ook een Nederlandse- (niet, voor alle Nederlanders: Hollandse- ) identiteit. En een Europese-. Maar daar komen we later nog op terug.
Anders dan anderen, heeft Jan Marijnissen gezien, dat het schort aan die nationale, Nederlandse identiteit. Niet omdat-i een nostalgische, Fortuyn-gelijke, liefhebber van nationale sprookjes zou zijn, maar omdat Marijnissen heeft gezien, dat, waar solidariteit op nationale schaal geboden is, om doeltreffend tegenmacht te ontwikkelen die de Haagse hiërarchieën tegenspel kan bieden, in dit land de daarvoor nodige identiteit is verdronken in een lege tolerantie. In onverschilligheid en in stiekeme uitbuiting van hiërarchische diversiteit.

Zoals we zagen, is identiteit verbonden met trots, een openlijk beleden verbondenheid met je familie, je buurt, je polder, je provincie, je land, je taal, je beschaving. Alleen als je echt trots kunt zijn op je identiteit, als je hem niet heimelijk wegstopt onder "diversiteit", kun je de ander in zijn of haar waarde laten. Niet meer bang voor besmettingsgevaar. Geen onuitgesproken hiërarchieën meer. De ander is niet meer alleen een potentiële cliënt, een potentiële patroon, maar iemand met wie je hoopt je identiteit, of een stukje daarvan te kunnen delen. Je hoopt niet meer, dat die ander "op zijn plaats blijft" en "geen praatjes krijgt", maar je streeft ernaar, dat die ander in vrijheid zijn plek kan vinden in de samenleving, al naar gelang zijn capaciteiten en zijn vermogen om met behulp van de met jou gedeelde identiteit en de identiteit die hij met jou deelt, bij te dragen aan het geheel.

Bestaan er twee of meer Nederlandse identiteiten?
Moeten we Jan nu verwijten, dat hij zich onvoldoende distantiëert van de hulpeloze- en soms ronduit lachwekkende- pogingen van de Balkenendes om naar negentiende-eeuws model een Nederlandse culturele "canon" (model-Dik Trom en Zijn Dorpsgenoten) te fabriceren? De rauwe vlootvoogd Michiel de Ruyter, slachter van de Barbarijse zeelieden en vissers, was inderdaad een ongelukkig voorbeeld. De Compagnie? In haar begintijd, vroege zeventiende eeuw, een belangrijke vernieuwing ten opzichte van de Spaanse roofpraktijken. Maar later verworden tot een log en corrupt lichaam, verntwoordelijk voor verschillende genocides, onder andere op de Molukken. De Geuzen? Hun tijd vooruit als succesvolle guerrillabeweging, maar ook verantwoordelijk voor de Gorkumse martelaren, die door een derde van de Nederlandse bevolking met wrok worden herdacht op Pasen. Kortom, niet verwonderlijk, de Nederlandse geschiedenis is even divers als die van andere landen. De Ruyter hoort erbij. JPCoen en Colijn horen erbij. Alleen zijn wij (hopen we) intussen begiftigd met een dieper inzicht dan zij konden hebben in hun tijd. Het is dus verkeerd, om, zoals tot dusverre veel is gedaan in socialistische kring, de De Ruyters, de Coens, de Sara Burgerharts zelfs, in de ban te doen en in te delen bij de top bvan één of andere, intussen afgebrokkelde, zuil. Ze zijn allemaal een beetje van ons, maar identiteit betekent niet, dat we ons helemaal met hen hoeven te identificeren. Het zijn lastige familieleden, die we toch niet laten vallen.

We laten ons niet een stuk van onze geschiedenis afpakken
Daarom heeft Jan Marijnissen gelijk, als hij zich niet in een ideologisch hoekje wil laten dringen, waarin alleen Multatuli, PJ Troelstra, Henriette Roland Holst en Piet Nak relevant zouden zijn. Dat alles is niet in een "canon" te vatten. De commissie van historici die daarover rapporteerde, had stelde terecht: Wat relevant is voor de identiteit, verschuift en vernieuwt zich onophoudelijk. Niets om niet trots op te zijn.

Jan dùrft!
En zo komen we terug bij Marijnissen en de paspoorten. Jan steekt zijn nek uit, want de weerstand, ook bij zijn achterban, om zich trots en kwetsbaar op te stellen, openlijk zijn identiteit te tonen en daaraan en daarmee te werken, is groot en cultureel bepaald. Ze is onderdeel van de geperverteerde identiteit van de waterschappers. Het is moedig, om daar, zo nodig, tegenin te gaan. Dat is precies wat Jan in De Telegraaf deed. Wat hij zei, was niet in de eerste plaats een boodschap aan Aboutaleb en aan Albayrak. Agnes Kant heeft dat intussen ook al rechtgezet. Het was een boodschap aan de eigen achterban: Wees trots op je identiteit als Nederlander. Ga er zorgvuldig mee om en laat hem je niet, ook niet gedeeltelijk, afpakken.

Het Kàn Verkeren (Breero, 1624)
Heel lang geleden, toen Erik Meyer en ik nog heel jong en groen waren, verschilden hij en ik in ons woninkje in Betondorp ernstig van mening op dit punt. Erik vond dat "nationalisme" gevaarlijk was voor arbeiders. Ik zag -een beetje- de kracht ervan, zoals ik die nu en hier zie. Intussen houdt Erik al weer jarenlang voor de SP een zetel in het Europese Parlement warm. Of, beter gezegd, lauw. Met zijn vermogen tot identificatie met standpunten die hij slechts onder zelfopoffering kan vertegenwoordigen, is hij daar kampioen van de negatie van Europa ten behoeve van een Nederlands nationalisme, dat, zoals hij ook weet met een aktieve betrokkenheid bij het Europese niveau niet in strijd hoeft te zijn. Maar de SP heeft zich nog niet durchgerungen tot het inzicht, dat ook Europese solidariteit, dus: trots op die Europese identiteit, nodig is voor de moderne arbeider, pardon: werknemer.

Dat gaat echter ook nog wel komen. Misschien al gauw. Tenslotte is de SP opgestegen van buurtniveau, via dorps- en kleinsteeds niveau naar landelijk peil. Jan zit in het buitenland. Dat is een goed begin. Straks, we zullen het nog meemaken, voert de SP actie voor een sterker, solidair Europa, beschermster van sociale verworvenheden, aaneengesmeed door een basisverdrag dat mensenrechten, minimumlonen, veiligheid en eerlijke pensioenen regelt. Die de funeste gevolgen van globalisering en delocatie tegenhoudt. Kan Harry van Bommel naar het museum, waar we trots op hem kunnen zijn. Want hij blijft één van ons.

Kijk, dat is nou identiteit, waarzonder soldariteit niet gedijt!

16 maart 2007

Wouter Bos komt niet los

Bij de kamerverkiezingen van november 2006 en die voor de Provinciale Staten van onlangs, is de PvdA flink afgestraft door de kiezers. Ze zijn massaal overgelopen naar de SP. Wouter Bos trekt zich dat persoonlijk aan. "Ik heb gefaald", is z'n refrein.
Is dat zo? Ik denk van niet. Bos heeft gedaan wat-i kon. En wij konden weten, dat dat niet genoeg is, omdat de PvdA tot in haar ziel vertrut is. Bos is daar slechts de uitdrukking van.
Nu moet het verweesde partijbestuur (verweesd, want DE leider is minister van financiën geworden) ermee verder.

Dat is zowel een uitdaging als een zegen. De uitdaging is de ingewikkelde partijenverhouding en de zwakke positie van de nieuwe regering onder, nota bene, Balkenende (zie onze posten daarover). De zegen is de opening, die hierdoor wordt geboden aan de partijgenoten, die het 'beginselmanifest' van Delft willen uitdiepen. De door mij zeer gewaardeerde NRC-columnist Frits Abrahams zegt daarover op dinsdag 13 maart 2007 het volgende:

Leider

„Typeer hem nou eens”, zei Felix Rottenberg, „wat is hij voor leider? Is hij een leider?”[..] Wouter Bos is niet de ideale leider – voor zover er een ideale leider bestaat. Je zou wíllen dat hij het was, want hij maakt een sympathieke, fatsoenlijke indruk, maar ook na deze film blijf je met te veel twijfels over zijn leiderschap achter.
Misschien wordt hij als vakminister gelukkiger dan als premier, peinst Bos in de film. Ik geloof niet dat een ‘geboren’ politieke leider zoiets zou denken. [..]

Ik zag vooral een politiek leider die worstelde met de verwachtingen die anderen van hem hadden. Hij zou wel even de nieuwe premier van Nederland worden. [..]

Op het laatst moeten anderen hem vertellen wat de kern van zijn missie behoort te zijn. „Solidariteit, daar gaat het ons toch om’’, voegt collega Frans Timmermans hem toe, „daar zijn we toch voor opgericht?[..]

Ja, Frans Timmermans is één van de minder zwakke figuren, die onder Bos' leiding trachten om politiek te maken in Den Haag. Hij heeft het dan ook 'maar' tot staatssecretaris voor Europese Zaken bij de CDA-griezel van Buitenlandse Zaken, , geschopt. Bos' favorieten zijn meestal onbeschreven bladen. Dat gaat er nog om spannen in de nieuwe regering.

Abrahams over de VPRO-film van Rudi Boon cs:

Te vaak gaan de discussies over beeldvorming, te weinig over de essentie van de boodschap. [..]

Het jammerlijke is, dat de PvdA-boodschap in 2007 nauwelijks een 'essentie' hééft. Daar moet aan gewerkt worden. Bos heft het druk in de regering. De PvdA moet intussen herbronnen. Het CDA heeft een populistische boodschap, waarachter zich een conservatieve ideologie verschuilt. De SP is ook populisisch, maar vertoont de neiging om verantwoordelijkheid te nemen en dienovereenkomstig haar boodschap realistischer te maken.

Natuurlijk kan en mag de PvdA niet teruggaan naar de oude illusies van de 'maakbare samenleving'. Ze zou moeten aansluiten bij initiatieven van onderop en aangeven, wat ze daarmee kan en wil doen in de landelijke politiek. Ella Vogelaar is minister voor Grote Steden (en Integratie) geworden. Daar liggen kansen, zowel voor de dagelijkse praktijk als voor de ontwikkeling van een beter program in partijverband.

We komen erop terug. Tot vervelens toe.

17 februari 2007

Mijn vader werd 90 jaar


Jan D. Riethof (*1917), 20 januari 2007

Ik ga steeds meer op hem lijken.
Dat kun je op deze blog goed zien.

Jan Dirk Riethof werd geboren in Schiedam op 20 januari 1917 als derde zoon van Jan Riethof en Elisabeth den Uyl (inderdaad, familie van -). Zijn vader was gepensioneerd ex-KNIL*)-militair die zich moest behelpen met fragiele baantjes als portier en museumbewaker.
Hij groeide op in Utrecht onder armelijke omstandigheden.
Via de Mulo, wist hij toch HBS-B af te maken, maar kon wegens geldgebrek niet naar Delft om daar bouwkunde te studeren. Het werd de MTS.
Wat ook nogal tegen de familietraditie inging: Hij werd lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC, zie WikiPedia), de sociaal-democratische jeugdorganisatie, opgericht door Koos Vorrink e.a. naar het voorbeeld van de Duitse Wandervögel.
Daar leerde hij mijn moeder kennen en daaruit heeft hij ook zijn hele leven inspiratie geput voor zijn politieke en culturele standpunten.

Stadsontwikkeling in Amsterdam
In het verlengde van dergelijke ideeën over natuur, optimisme, gemeenschap en respect voor anderen, lag het 'Nieuwe Bouwen', de stroming in de architectuur en de stedebouw (urbanisme) die met kracht elke nostalgie verwierp en stadsplanning plus woningbouw wilde ontwikkelen vanuit strikt rationele gezichtspunten, zoals: orientatie van woongebouwen op de bezonning, functiescheiding tussen wonen, werken, recreatie en verkeer.
Brandpunt van deze stroming in Nederland was de sector Stadsontwikkeling van de Amsterdamse gemeentedienst der Publieke Werken.Voordat mijn vader daar als tekenaar aan de slag ging, had de gemeente al een bijzonder volledig Algemeen Uitbreidingsplan ontwikkeld, geheel volgens de principes van het 'Charter van Athene' en op wetenschappelijke leest geschoeid: de afdeling 'Survey' produceerde aan de lopende band statistieken en daarop gebaseerde berekeningen, die de grondslag vormden van het ruimtelijk beslag en de stedebouwkundige ordening. Anders dan meestal bij dergelijke plannen het geval is, is dit AUP tot diep in de zestiger jaren vrijwel naar de letter uitgevoerd. Ondanks de schokken van de Tweede Wereldoorlog en de woningnood erna. Je kunt zelfs het bouwen in de zeventiger jaren in de Bijlmermeer, niet voorzien in het AUP, zien als een extrapolatie van de AUP-beginselen, zij het tot in het absurde doorgevoerd.

Dichtbij de 'groten' van het Nieuwe Bouwen (mej. Mulder, Ir. Van Lohuizen, Ir. C. van Eesteren [zie korte biografie tgv NAi "De Regie van de Stad'], enz.) ontwikkelde mijn vader zich tot hoofd van een onderzoekafdeling binnen de survey van Stadsontwikkeling. Er werd verkeer geteld, er werden vierkante meters ruimtebehoeften aan sportterreinen uitgerekend - ik heb het een beetje meegemaakt, als ik als middelbare scholier vakantiebaantjes vervulde op "zijn" afdeling.

Weigering van de vertrutting in de stedebouw...
Een grote schok in zijn werkzame leven, betekende de terugkeer naar een ouderwetse en meer intuïtieve vorm van bouwen en stadsplanning rond het midden van de zeventiger jaren in Amsterdam. Functionele patronen werden verstoord door 'inbreiding', nieuwe woonbuurten werden ontworpen als replica's van oude Ijsselmeerstadjes, korte-termijnbeslissingen vervingen de zorgvuldige meerjarenplanning. Stadsontwikkeling werd feitelijk opgeheven, onderzoeksfuncties gingen naar een bestuursdienst, die bij de (politieke) dag leefde en ondergeschikt was aan wisselende modes en bestuurlijke persoonlijkheden.

Toen hij 62 jaar was, hield hij er plotseling mee op: Vervroegde pensionering was toen nog een goede optie. Dat was 28 jaar geleden - een mensenleeftijd. Van zijn plannen om te publiceren over de geschiedenis van Stadsontwikkeling kwam weinig terecht. Er waren veel andere zorgen. Langzamerhand werd het gepensioneerde leven gevuld met de activiteiten in een hechte groep van oud-AJCers, in het begin vooral uit Utrecht. Het waren mensen van de generatie van mijn ouders, of iets ouder. De meesten van hen zijn nu overleden.

Oud worden in een zich verhardende samenleving
Een zwakker wordende gezondheid, vereenzaming, verlies van functies slaan nu toe. Toegang tot een plek in één van de bejaarden- en verzorgingshuizen in Amsterdam, die mijn vader zelf zo zorgvuldig had helpen plannen, is er helaas niet van gekomen. Met hulp van mijn drie broers en hun gezinnen, die verspreid in Nederland wonen, en -sinds kort- met die van de wijkverpleging**), wordt een stukje leven in stand gehouden.

Het is bijna een hele eeuw, die u met een onhandig gebaar groet.
Uiterlijk lijk ik op hem. Maar ik knok ervoor, om anders oud te (kunnen) worden.


Update 3.4.08:

05 februari 2007

Nieuw kabinet: Bos erin, Balkenende eruit

Zoals Marc Chavannes (veel internationale ervaring, jarenlang correspondent in Frankrijk en in Washington - boeken erover geschreven) zaterdag in de NRC schrijft, de PvdA is een PvB geworden. De Partij van Bos.

De PvdA=PvB heeft nog een heel alfabet af te werken
Maar het probleem is niet, of Bos er goed aan doet, als minister van Financiën in het kabinet te gaan zitten. Als er in de PvdA niemand anders is dan Wouter Bos, om de fractie te leiden en de hervorming van de partij verder te zetten, is het treurig gesteld. Maar zo erg is het nog niet. Er zijn genoeg mensen beschikbaar om het schetsmatige en oppervlakkige program van Delft verder uit te bouwen tot een modern, stevig, progressief program dat vooruitziet in de wereld van een eenwordend Europa, de gevaren van marginaliseren van hele bevolkingsgroepen bestrijdt, enz.

Het komende kabinet
Een kabinet met een (groter) CDA en de wel sociaal-progressieve-, maar ethisch-conservatieve-, ChristenUnie, is intussel wel ongeveer het denkbaar slechtste uitgangspunt voor een herleving van een gemoderniseerde sociaal-democratische politiek in Nederland.
Ik heb er hier eerder voor gepleit, dat de PvdA zou 'inbreken' (stijl-Burger, 1973) in het CDA, om de aldaar sterk aanwezige-, maar de laatste jaren in verschillende hoeken gedrongen-, 'sociale' vleugel aan te spreken voor een inspirerend regeringsprogram. Het gezamenlijke gewicht van PvdA, Groen-Links en de CU, zoals dat in het begin van de formatie gestalte kreeg, had daarbij een doorslaggevende rol kunnen spelen, zelfs als de beide laatsten uiteindelijk niet in de regering zouden zijn gekomen.

Geen inhoudelijke discussie over Balkenende's program en persoon
Daartoe had men de positie van Balkenende ter discussie moeten stellen.
Dat lijkt gezochter dan het is. Balkenende heeft immers van zijn voorkeur voor doorregeren met de VVD, om zijn 'hervormingen' af te maken, nooit een geheim gemaakt. Bij de nederlaag van zijn coalitie, op 22 november 2006, echter, vertoonde zijn partij een triomfalistisch tv-spektakel, de US-Republikeinen waardig: Onder een regen van confetti (ticker-tape), daalde het Balkenende-paar de trappen af. "Wij zijn de grootste!" Ondanks het eigen verlies van ettelijke zetels. Ook bij het daaropvolgende partijleiders-gesprek voor de TV, verkeerde de Balk nog in een triomf-stemming: "Wij nemen de leiding in de formatie en u hebt maar af te wachten, waarmee we komen!" Bos liet het gelukkig niet helemaal over z'n kant gaan en wierp de SP in de strijd, wier winst zelfs door Balkenende niet te negeren viel.

Balkenende stond immers voor een program, een onaanvaardbaar program, dat hij alleen met behulp van VVD en PVV zou hebben kunnen doorvoeren. Had Balkenende zich ooit duidelijk van de ideeën en praktijken van Verdonk gedistantiëerd? - Daarmee kwam de volgende kans om met hem af te rekenen: Toen de Kamer in nieuwe samenstelling haar in feite wegzond.
Balkenende (en de griezel Verhagen, die nu waarschijnlijk als buitenland-minister de wereld onveiliger gaat maken), hadden aan hun programma gehouden moeten worden.

Strategie-debat ontaardt in poppetjes-discussie
Maar, en dat illustreert de zwakte die de PvdA heeft overgehouden van het Fortuyn-débacle, de pijlen richten zich op Bos, die in een onbewaakt moment verklaard heeft, dat hij geen minister wil zijn 'onder Balkenende'. Als hij het kabinet in gaat, zal hem dat worden nagedragen. Dat is niet eerlijk: Aan de leiders van SP en van Groen-Links wordt het tegengestelde verweten. Het is het één of het ander. Maar als Balkenende en zijn partij Bos zo graag in het kabinet willen hebben, had die laatste kunnen verklaren: "Maar niet onder Balkenende!" Er zijn nog genoeg andere minister-presidentiabelen in het CDA. Wijffels zelf bij voorbeeld. Dat Balkenende aan zijn positie vasthoudt, is een on-antirevolutionaire, on-gereformeerde, ja: hoogmoedige houding.
Hoe komt dat?

Balkenende als premier van een progressief kabinet is een anomalie.
Hij vormde zijn sociaal-economische inzichten in de negentiger jaren, tijdens de 'tocht door de regeringsloze woestijn' van het CDA, in een denktankje met uiterst conservatieve economen. Z'n voorkeur voor de communautaristische ideeën van Amitai Etzioni is daarmee niet in tegenspraak. Integendeel: Als maatschappelijke groeperingen zich bezighouden met het 'kleingoed', alles 'samen' doen, komt er meer ruimte voor de 'grote' politiek over hun hoofden heen. Dat is de manier waarop zijn grote Amerikaanse voorbeeld 'zijn' beweging runt: Autoritair. "Houd je met je eigen zaken bezig!" voegt hij geregeld zijn volgelingen toe, als ze zich wagen aan het voorstellen van een meer brede visie. Het is communautaristisch conservatisme.

Gereformeerd élitisme à la Kuyper tegenover randpopulisme
Een dergelijke elitistische houding vinden we ook, als restant van het Heideggeriaanse denken, bij een verlichte politieke filosoof als Hannah Arendt. Het 'sociale' is bij haar zaak van zelf-regering door de massa. De grote beslissingen moeten worden genomen in de areopaag van denkers en het materiële ontstegen politici. Deze scheiding tussen 'eigen verantwoordelijkheid' in het 'sociale' (bij Balkenende, - niet bij Arendt -, vertaald naar 'marktwerking') en elitaire verantwoordelijkheid in het 'politieke', is reactionnair en geheel "on-Bos".

De laatste immers, laat zich steeds voorstaan op de directe relatie die hij legt tussen wat hij 'in het land' hoort en de grote politieke beslissingen. Dat dat sterk neigt naar opportunisme, politieke stilstand en populisme, komt doordat Bos blijkbaar niet genoeg aan de mensen te vertellen heeft, om hun te helpen, de grenzen van het mogelijke, dan wel de consequenties van wat ze à l'improviste debiteren, duidelijk te maken. Daardoor zeggen ze hem van die vreselijke dingen, bij voorbeeld over immigranten. En daarom geeft hij die, nauwelijks gefilterd door humanisme, door.

Voor een fors debat over communautair conservatisme tegenover democratische inspraak (mits die een dialoog is)
Maar de oriëntatie op een politiek, hoog en laag, van en voor alle mensen zonder onderscheid, is een doorslaggevend pre op de Kuyperiaanse houding van Balkenende die de 'kleine Luyden' van zijn grote voorganger wil doen herleven. Het is betreurenswaardig, dat, waar de PvdA alle denkkracht voorradig tracht te mobiliseren, het fundamentele publieke debat tussen de beide denkrichtingen nog niet echt is aangezwengeld.

Daarom, laat Bos het met Balkenende uitvechten in het kabinet en laat de PvdA zich los daarvan versterken en verdiepen!
Related Posts with Thumbnails