Posts tonen met het label Zelfbeheer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zelfbeheer. Alle posts tonen

08 maart 2011

Cultuurbehoud: Redt de Christen Unie van de Neocons. Voor Nederland!

Ik reageerde vandaag op de publicatie door Krapuul van een lang en evenwichtig artikel van Jan Dirk Snel: Het dilemma voor de Christen Unie.

Door het immobilisme van de SGP, de onchristelijke verBlekering van het CDA en de dynamiek van een eigen omroep, kreeg een deel van de Nederlandse protestantse fundis de wind in de zeilen. Zonder de eigen waarden te verwaarlozen, werd de jeugd aangesproken en handhaafden mensen als Rouvoet en Slob een sociaal en realistisch geluid in de chaotische discussies van het Nederland van het begin van de 21ste eeuw.
Ziehier mijn reactie als ongelovige, maar naar het integere strevende, op de discussie die ontbrandt bij onze broeders. Niet de moslim-, maar de mannen-broeders.

Toen ik in 1970 lid werd van de Amsterdamse gemeenteraad, was de ARP er met 2 zetels van de 45 een vaste waarde. Ik arriveerde, nog nahijgend van de revolutionaire illusies van 1968. Dacht dat de mobiliserende kracht van het opstandige woord er zou heersen. 
Maar, o maar:
In een gemeenteraad zit het bestuur, als het goed is, dicht bij de burgers. Dus is er weinig plaats voor polarisatie en uitsluiting tussen de gekozenen. Je zoekt er concrete oplossingen voor concrete problemen. En iedereen die daarover wil meedenken zonder vooroordelen en maffia-bindingen, is welkom.
Zo komt het, dat de gereformeerden me aangenaam verrasten. Ze vertoonden echt dat realisme en die openheid op basis van hun onderliggende onwrikbare overtuiging, waar JD Snel het over heeft. In februari 1973 doorbrak ik in de Raad als eenmansfractie van de PSP met uitsluitend de steun van de AR-vertegenwoordiger en latere minister, Enneüs Heerma, het liberale en marktgerichte stadsvernieuwingsdenken.
Als je eens wilt zoeken naar de echte waarden die verborgen zijn in de “wortels” van de Nederlandse cultuur, luister dan niet naar de PVV die alleen carnaval en kievitseieren ziet, maar denk eens na over die Hollanders en Friezen die hun polders, waterschappen en consistories zelf bestuurden, zonder tussenkomst van adellijke heren en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Iets van die mentaliteit is overgegaan in het anarcho-syndicalisme, in de relatieve onafhankelijkheid van de NL RK kerk en in de ver doorgevoerde decentralisatie van het bestuur naar gemeenten (in vergelijking met de rest van Europa) in Nederland.
Dus, in plaats van de Wilderse autoritaire kreten over een aan zijn grillen onderworpen rechterlijke macht, over een gecentraliseerde politie, los van de nodige controle door de locale overheden, over burgemeesters en dominees “met slappe knieën” die moeten wijken voor de knieschoten van de stadscommando’s onder leiding van De Roon – in plaats van dat alles hoort het zelfvertrouwen van de directe democratie, een van de kostbaarste bouwstenen van de Nederlandse cultuur.
De Christen Unie is daar, zoals JD Snel stelt, een belangrijke uiting van. Hoe paradoxaal het ook klinkt, hij heeft gelijk, als hij schetst, dat het realisme van de linkse liberalen (D66, vroeger Treub en de zijnen) maar al te vaak samenvalt met het realisme van deze variant van de mannenbroeders.
Je kunt het honderdmaal oneens zijn met elk van  hun (onverenigbare) uitgangspunten.
Ze zijn onze bondgenoten in integriteit en authenticiteit!

Bewust of onbewust laat JD Snel onbesproken, tegen wie hij zich in zijn artikel keert. Dat is namelijk (vermoed ik) Bart-Jan Spruyt. Spruyt zoekt al jaren, vanuit het Leidse neoconservatieve filiaal dat Burke Stichting heet, naar iets wat de rol kan spelen die de Amerikaanse Republikeinse Partij vervult (of vervulde) voor de neoconservatieven van The Weekly Standard in Washington. De Neocons gebruiken de christen-fundamentalisten onder de Republikeinen om hun agenda van elitaire Staat door te voeren. Hoe ze dat doen, heb ik elders beschreven.
Het lukte Bart-Jan niet met Geert Wilders (2006). Het lukt niet met met de SGP (zijn te sektarisch). Het lukte niet om pseudo-PVV afdelingen op te richten (Urk, 2009). Nu ziet Bart-Jan een nieuwe kans bij de Christen-Unie. De leiding lijkt verzwakt door het verlies bij de verkiezingen. Spruyt bepleit een forse wending naar “rechts”. Daarvoor heeft hij, zoals ik bij de EO zag, geen religieuze of inhoudelijke-, alleen tactische-, argumenten. Dergelijk opportunisme lijkt mij voor de getrouwen van Rouvoet een gruwel. Maar misschien overschat ik ze.
Snel bepleit daarentegen een vasthouden aan de integere interpretatie, die misschien niet snel verkiezingswinst zal brengen, maar wel de mannenbroeders het gevoel zal geven, zonder zonden voor hun Heer te kunnen verschijnen. De vreze Gods is dus een factor geworden in het huidig tijdsgewricht. Het gaat niet alleen meer om de vraag of de Profeet een pedofiel was, maar ook om de vraag, of de visie van de CU zal terugvallen naar een Manicheïstische, of, dat daarentegen de Bergrede richtlijn blijft voor de gelovige.
Het heeft toch wel iets bijzonders, dat in deze tijden veel van het lot van Nederland blijkt af te hangen van de standvastigheid in het geloof van zijn zijn koppigste zonen en dochters.
:mrgreen: 
Het bovenstaande werd in licht andere vorm gepubliceerd als commentaar op het artikel van JD Snel bij Krapuul.nl.

22 mei 2010

PRO BRUXSEL BLOG: Brussel moet zich bevrijden van elke communautaire inmenging van buitenaf

Brussel is België's weeskind. ProBruxsel heeft een helder en duidelijk program voor de a.s. verkiezingen:

Sticht een eigen gewestelijke "gemeenschap", die onderwijs, culturele zaken en persoonsbelastingen autonoom regelt. 

Volstrekt realiseerbaar, indien tenminste de grote Brusselse partijen zich emanciperen van hun regionalistische commandocentra in Wallonië en Vlaanderen!


Ziehier het programma:
Doordat we het failliet van een vergelijk tussen de Gemeenschappen hebben moeten constateren wordt Brussel nu gedwongen om zelf een fundamentele hervorming van de Belgische staat te eisen zodat ze over voldoende financiële middelen kan beschikken om de toekomst van haar bewoners en hun kinderen veilig te stellen. Er is voor het Brussels Gewest geen enkele reden meer om afhankelijk te blijven van zowel de Franse als Vlaamse Gemeenschap. Brussel moet nu eisen dat het zich op een onafhankelijke manier binnen het nieuwe België kan besturen.

Binnen het België van morgen zijn de enige entiteiten die moeten blijven bestaan de Gewesten. Indien die dat nodig achten kunnen ze, samen, over de bevoegdheden beslissen die toevertrouwd zouden moeten worden aan het federale niveau, dat op haar beurt de Staat op het Europese en internationale vlak zou vertegenwoordigen.

Brussel moet vrij zijn om, volledig onafhankelijk, alle culturele bevoegdheden, inclusief het onderwijs en de persoonsgebonden materies van haar bewoners, te beheren.

Brussel moet de vrijheid hebben om zelf te beslissen wat ze nodig acht om een goed beheer en administratie, gebaseerd op respect van eenieder en met gegarandeerde rechten voor alle minderheden uit te bouwen.

Brussel zou eindelijk vrij moeten zijn om een meertalig onderwijs te kunnen organiseren om zo de jongeren de beste kansen te geven binnen een internationale Stads-Gewest, een plek waar al decennia lang de Latijnse en Germaanse culturen elkaar ontmoeten en waar, meer recentelijk, ook de Europese en mondiale culturen elkaar tegenkomen.

Brussel moet de vrijheid hebben zelf personenbelasting te kunnen heffen op de plaats van tewerkstelling.

Brussel moet de vrijheid hebben haar mobiliteit op een adequate manier te beheren om zo een betere levenskwaliteit van zowel haar bewoners als haar bezoekers te garanderen, en wel door middel van het heffen van een stadstol, net zoals Londen en Stockholm reeds met succes hebben ingevoerd.

Brussel moet de mogelijkheden krijgen om, ten voordele van alle bewoners en bezoekers, een harmonieuze samenleving te organiseren. In samenwerking met haar buren moet Brussel, wederom in het belang van allen, de mobiliteit, veiligheid, ruimtelijke ordening en economische vernieuwing van haar hinterland kunnen beheren.

Pro Brussel wil, als Wallonië en Vlaanderen dat ook wensen, een gemeenschappelijke toekomst met de andere Gewesten opbouwen. Maar als deze wil er niet meer is, dan moet Brussel vrij zijn om, onafhankelijk, haar lot in eigen handen te nemen.

En om dit project voor een autonoom Brussel en dat voor de toekomst van België te verdedigen, heeft Pro Bruxsel besloten om een lijst van 22 Brusselse Nederlands- en Franstalige kandidaten voor te dragen voor de volgende verkiezingen om ook in het federale Parlement de stem van de Brusselaars te laten weerklinken.
Bron:
PRO BRUXSEL BLOG: Brussel moet zich bevrijden van elke communautaire inmenging van buitenaf.

Ik ontwikkelde een dergelijk voorstel al in januari 2008: Stel je voor, dat de Brusselaars zelf een Gemeenschap stichtten? (De Lage Landen)

27 maart 2010

Methode-Vogelaar: Enorm succes bij integratie en verhoging veiligheid

Vogelaarwijken
Vogelaarwijken

Ella Vogelaar is op schandelijke manier afgeserveerd (eind 2007) als minister voor wijken en integratie. (In Nederland) Wouter Bos dacht toen nog, dat meegaan met het “strenge” discours tegen immigranten, zijn partij zou helpen om de Wilders-vote terug te winnen.

In werkelijkheid heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek eind 2009 vastgesteld, dat in ALLE (ja: ALLE) achterstandswijken van Nederlandse steden het welzijn en het gevoel van veiligheid VOORUITGEGAAN zijn.

Hoe komt dat? Wie hebben dat gedaan? Hoe hebben ze dat aangepakt? Hoe komt het, dat de opvolger van Vogelaar, Eberhard van der Laan, niets anders kon doen, dan, met succes, haar beleid voortzetten in plaats van het af te breken?

Ik ga voor Krapuul portretten maken van de ECHTE helden van de integratie en de emancipatie van achterstandsgroepen.

Een Vogelaar “in het kwadraat”? GRAAG!
Volg bij Krapuul de mensen die *oplossingen* hebben gevonden voor de problemen van uitsluiting en discriminatie. Wilders noemt ze Krapuul, Dhimmis, verraders, links tuig. Wij komen voor ze op. De meeste racistische schreeuwlelijken kennen de probleemgebieden helemaal niet.
Daarmee willen we niet zeggen, dat er geen problemen zijn. Ze zijn alleen niet allemaal van vandaag op morgen op te lossen. Strengere handhaving, meer controle, meer mensen aan het werk – dat is intussen absoluut nodig, zowel bij de armen in de vergeten stadswijken, als ook bij de rijksten die het ervan nemen bij banken en hedgefunds. Met fractieleden wier hoogste wijsheid uit managementboeken komt, zal het ook niet gaan. SP, GL en FNV geven aan, hoe het wel kan. Het ontwikkelingswerk op middellange- en langere termijn in onze steden en wijken, wordt echter nog lang niet genoeg erkend.
Ella Vogelaar herkende het opbouwende werk van de projectleiders, de wethouders en de wijkbewoners die resultaten boeken bij de ontwikkeling van achterstandssituaties naar meer hoop en erkenning van ieders bijdrage en kwaliteiten.

Job Cohen ondersteunde Ella Vogelaar op het moeilijkste moment. Dat was mooi. Wilders heeft dat ook begrepen. De beste remedie tegen hem en voor een snellere oplossing van de immigratieproblemen, is, inderdaad: een “Vogelaar in het kwadraat”.

De vergeten “helden”, die dagelijks hun handen vuil maken op de werkvloer van de stedelijke achterstandswijken. Ze hebben geen tijd om “leuke” stukjes te schrijven op de discussiefora. Om echt te kunnen kiezen, op 9 juni a.s., moet je ook hun visie kennen.

Straks: Deel 1: Een multiculturele plantsoenendienst.

(Werd eerst gepubliceerd op Krapuul.nl) 


Huib Riethof is onafhankelijk Europees expert op het gebied van de emancipatie van achterstandsgroepen en stedelijke achterstandswijken. Het begon in de Amsterdamse Weesperzijdestrook en de Dapperbuurt (1973). Vanaf 1982 leidde hij in opdracht van de regering het eerste Nederlandse emancipatie- en ontwikkelingsprogramma (PCG) in 18 steden en 32 wijken. Sinds 1990 actief in Europa. 
Van hoofddoek tot hoofdzaak. 
Van mafia tot welvarende middenklasse. 
Het kan!

04 april 2007

Waarom Jan Marijnissen er toch niet erg ver naast zat

Opnieuw opwinding in Holland.
Opnieuw, schijnbaar, over paspoorten, immigranten en tolerantie.
Nederland is waaratje wel betrokken bij dringendere zaken. Maar daarover deze keer maar eens niet.
Zonder omwegen naar SP-leider Jan Marijnissen, dus, die zaterdag in "De Telegraaf" zei, dat het "een dikke plus" zou zijn als PvdA-staatssecretarissen Albayrak en Aboutaleb zouden kiezen voor één van hun twee paspoorten, het Nederlandse liefst.

Ik doe niet mee met de heren-van-de-selectieve-verontwaardiging die nu over Jan-met de-pet heenvallen. Ook niet met de commentatoren die alles meteen betrekken op de positie van betrokken politicus. Het is het weerbericht niet. En al evenmin over de vraag of het aardig van Jan was tegenover de PvdA, al was het dat niet.


Jan Marijnissen 2003. Foto Maurice Boyer, NRC-Handelsblad.

Ik wil het hebben, over wat ik denk, dat de achtergrond is van het specifieke SP-Marijnissen standpunt in deze kwestie. Dat is interessant en belangrijk, want het raakt aan een heel fundamenteel gebrek, of noem het handicap, of weeffout, in de Nederlandse cultuur. En de SP onder leiding van Marijnissen is van begin af aan ingegaan tegen berusting in dat gebrek. Eerst, zoals wij allemaal, zoekend en soms missend, maar met de tijd steeds duidelijker en gerichter.

Het geldt de onverschillige ondergrond van de fameuze Nederlandse tolerantie. Onverschilligheid, paradoxalerwijze sterk verbonden met xenofobie, dus met intolerantie, die in de afgelopen jaren luidruchtig naar de bovengrond is verhuisd.

"De Lege Tolerantie - Over vrijheid en Vrijblijvendheid in Nederland"
is een bundel artikelen van Nederlandse auteurs (Boom, 2001) van zowel linkse- als rechtse signatuur, waarin wordt afgerekend met de zelfgenoegzame illusies die samengaan met de idee van "souvereiniteit in eigen kring", het steriele ideaal van "diversiteit" als grondbeginsel, enzovoort. Het begon blijkbaar al te dagen in 2001, een jaar voor de Fortuyn-omwenteling. Diversiteit is niet plat en onbeweeglijk. In de practijk betekent diversiteit een onuitgesproken hiërarchie. En binnen een hiërarchie hebben degenen die bovenaan zitten er onvermijdelijk belang bij, dat de diversiteit zo gestructureerd blijft als ze is. Emancipatie, empowering, zijn er niet bij.

Cliëntelisme
Vertaald naar economische-, sociale- en politieke verhoudingen, leidt dat tot cliëntelisme. In ruil voor de meegebrachte stemmen, wordt aan een lid van een groep die lager in de sociale hierarchie staat, een junior-plek aangeboden in bedrijf, gemeenteraad of stichtingsbestuur.
Emancipeert de betrokken cliënt te veel, "krijgt hij/zij teveel praatjes", dan volgt vervanging door een volgzamer groepslid. Behalve, wanneer het een Hirsi Ali is, die negatieve dingen over haar achterban durft te zeggen, die aansluiten bij vooroordelen die een nette tolerant haast niet durft te denken, laat staan uitspreken. En dan nóg: Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan - der Mohr kann gehen. In dit geval naar een volgende tijdelijk plek, het neoconservatieve American Enterprise-Institute.

De Polder als bevrijding en begrenzing
Waar komt die typisch Hollandse (niet: Nederlandse-) lege tolerantie vandaan? Letterlijk: Uit de polder. En het is in beginsel een waardevol cultuurgoed! De beheersing van het water vanuit steeds dieper wegzakkende landerijen, dwong tot een ver doorgevoerde samenwerking tussen naburen, want de in de middeleeuwen ruimschoots voorradige edelen en kerkelijke vorsten leenden zich niet ervoor om daaraan leiding te geven. Het was zelfbeheer, zelforganisatie en het vergde een democratische-, zij het dwingende-, sociale structuur. De bewoners en gebruikers van de laagste van de Lage Landen zijn er zodoende aan gewend geraakt om hun eigen boontjes te doppen, vreemde inmenging te weren en (polder-)compromissen te sluiten met aanpalende waterschappen en, als het moest, met de overkoepelende hoogheemraadschappen, die men nodig had, om toe- en afvloeiing van water eerlijk te verdelen en uitgangen naar zee en grote meren te verschaffen. Naar dat model was de Republiek de Zeven Provinciën tot 1797 georganiseerd. Diversiteit werd al getolereerd, namelijk in de vorm van de minder lage (en minder rijke) provinciën en in de Generaliteitslanden Brabant en Limburg, die nog iets lager op de diversiteitsladder-hiërarchie stonden. (De laatste waren niet eens vertegenwoordigd in de Generale Staten in Den Haag.)

Naar dit model ook, heeft de Nederlandse godsdienstbeleving vorm gekregen: Consistorieën waren kleine waterschappen die souverein wilden blijven in eigen kring. Synodes alleen bij hoge noodzaak, een verhouding, zoals die tot hoogheemraadschappen. Het werkte (en werkt nog) door tot in de oppositiebewegingen in de RK Kerk. Het werkte ook door tot in Nederlands-Indië, waar het Binnenlands Bestuur de inlandse "diversiteit", tolereerde, ja zelfs instandhield, mits de Hoofden van Lebak maar hun achterban volgzaam hielden. Gods water over Gods Akker laten lopen, maar wel door de door ons aangewezen slootjes.

De Zuil als identiteitssymbool
Dusdoende, ontwikkelde zich op nationaal niveau het zuilenstelsel. Identiteit ontleend aan de eigen zuil, solidariteit vrijwel uitsluitend binnen de eigen zuil, hiërarchisch gestructureerd zelfbeheer binnen de zuil, waarbij aan de zuilenleiders werd overgelaten om met de andere zuilenleiders te polderen. Zo verwerd een uniek, zelfbewust en vrijheidlievend systeem, afgezien van anarchistische- (Friesland en Groningen, Amsterdam) en anti-autoritaire uitgroeisels, tot een ongeschreven-, voor een buitenstaander of immigrant moeilijk doorzichtig-, star systeem van gedragscodes, buitenwettelijke tolerantie en isolement.

Op de helft van de vorige eeuw, stortte het systeem ineen. De expansief toegenomen communicatie, de migratiebewegingen binnenslands ten behoeve van industrie en handel, de leegloop van het platteland, de emancipatie van de vrouw, de crisis van de ideologieën en de religies - alles droeg ertoe bij, dat er behoefte ontstond aan andere-, nieuwe-, grondslagen voor solidariteit en onderlinge ondersteuning bij emancipatie. De polder was definitief te klein geworden als referentiekader.

"Referentiekader" is identiteit
Bij gebrek aan nieuwe referentiekaders echter, blijven de oude als mythen voortbestaan. Ze zijn ons dierbaar als lastige familieleden. De Communistische Partij, noch de Sociaaldemocratie, hebben in Nederland de moed gehad, om te doen wat de SP probeert, namelijk: nieuwe referentiekaders voor onderlinge solidariteit te scheppen. De SP is daarmee begonnen op de schaal van de wijk, de volksbuurt. Niet meer met gezamenlijk waterbeheer, maar met gezamenlijk gezondheidsbeheer, dat zijn verlengde kreeg in allerlei andere vormen van belangenbehartiging op solidaire schaal. De SP wist, of ontdekte, dat "referentiekader" een abstract, droog, begrip is. Een bundeling van mensen, bereid en in staat tot solidariteit, dus tot opofferingen van het individu voor het geheel, behoeft een gezamenlijke mythe, een eigen identiteit. "Ik ben Ossenaar" houdt in, dat ik behoor tot de mensen die zich geëmancipeerd hebben uit de slachterijen en de reuzenfabriek van Van den Bergh & Jurgens. Ik ben trots op ons eigen margarine-museum, waar wordt bewaard, hoe mijn oom, mijn grootvader en mijn zuster moesten werken. En hoe ze zich uit dat lot hebben weten los te maken.

Zonder identiteit, geen solidariteit!
Diversiteit: De echte, de relevante, diversiteit zit in de mensen zelf. Ik heb niet één identiteit (Ossenaar), maar ik ben ook katholiek, of juist niet, en ik ben Brabander, of juist niet. Diversiteit tussen mensen berust niet op een vast identiteiten-patroon, maar op een wisselend, zich ontwikkelend (soms verschralend) bont patroon van individuele identiteitssamenstellingen.

Niveau van referentiekader, niveau van identificatie, trots en vermogen tot zelfopoffering en ... èchte tolerantie
Meer en meer wordt macht uitgeoefend boven het overzichtelijke naburen- en kleine-stads-niveau. Daarom heb ik ook een Nederlandse- (niet, voor alle Nederlanders: Hollandse- ) identiteit. En een Europese-. Maar daar komen we later nog op terug.
Anders dan anderen, heeft Jan Marijnissen gezien, dat het schort aan die nationale, Nederlandse identiteit. Niet omdat-i een nostalgische, Fortuyn-gelijke, liefhebber van nationale sprookjes zou zijn, maar omdat Marijnissen heeft gezien, dat, waar solidariteit op nationale schaal geboden is, om doeltreffend tegenmacht te ontwikkelen die de Haagse hiërarchieën tegenspel kan bieden, in dit land de daarvoor nodige identiteit is verdronken in een lege tolerantie. In onverschilligheid en in stiekeme uitbuiting van hiërarchische diversiteit.

Zoals we zagen, is identiteit verbonden met trots, een openlijk beleden verbondenheid met je familie, je buurt, je polder, je provincie, je land, je taal, je beschaving. Alleen als je echt trots kunt zijn op je identiteit, als je hem niet heimelijk wegstopt onder "diversiteit", kun je de ander in zijn of haar waarde laten. Niet meer bang voor besmettingsgevaar. Geen onuitgesproken hiërarchieën meer. De ander is niet meer alleen een potentiële cliënt, een potentiële patroon, maar iemand met wie je hoopt je identiteit, of een stukje daarvan te kunnen delen. Je hoopt niet meer, dat die ander "op zijn plaats blijft" en "geen praatjes krijgt", maar je streeft ernaar, dat die ander in vrijheid zijn plek kan vinden in de samenleving, al naar gelang zijn capaciteiten en zijn vermogen om met behulp van de met jou gedeelde identiteit en de identiteit die hij met jou deelt, bij te dragen aan het geheel.

Bestaan er twee of meer Nederlandse identiteiten?
Moeten we Jan nu verwijten, dat hij zich onvoldoende distantiëert van de hulpeloze- en soms ronduit lachwekkende- pogingen van de Balkenendes om naar negentiende-eeuws model een Nederlandse culturele "canon" (model-Dik Trom en Zijn Dorpsgenoten) te fabriceren? De rauwe vlootvoogd Michiel de Ruyter, slachter van de Barbarijse zeelieden en vissers, was inderdaad een ongelukkig voorbeeld. De Compagnie? In haar begintijd, vroege zeventiende eeuw, een belangrijke vernieuwing ten opzichte van de Spaanse roofpraktijken. Maar later verworden tot een log en corrupt lichaam, verntwoordelijk voor verschillende genocides, onder andere op de Molukken. De Geuzen? Hun tijd vooruit als succesvolle guerrillabeweging, maar ook verantwoordelijk voor de Gorkumse martelaren, die door een derde van de Nederlandse bevolking met wrok worden herdacht op Pasen. Kortom, niet verwonderlijk, de Nederlandse geschiedenis is even divers als die van andere landen. De Ruyter hoort erbij. JPCoen en Colijn horen erbij. Alleen zijn wij (hopen we) intussen begiftigd met een dieper inzicht dan zij konden hebben in hun tijd. Het is dus verkeerd, om, zoals tot dusverre veel is gedaan in socialistische kring, de De Ruyters, de Coens, de Sara Burgerharts zelfs, in de ban te doen en in te delen bij de top bvan één of andere, intussen afgebrokkelde, zuil. Ze zijn allemaal een beetje van ons, maar identiteit betekent niet, dat we ons helemaal met hen hoeven te identificeren. Het zijn lastige familieleden, die we toch niet laten vallen.

We laten ons niet een stuk van onze geschiedenis afpakken
Daarom heeft Jan Marijnissen gelijk, als hij zich niet in een ideologisch hoekje wil laten dringen, waarin alleen Multatuli, PJ Troelstra, Henriette Roland Holst en Piet Nak relevant zouden zijn. Dat alles is niet in een "canon" te vatten. De commissie van historici die daarover rapporteerde, had stelde terecht: Wat relevant is voor de identiteit, verschuift en vernieuwt zich onophoudelijk. Niets om niet trots op te zijn.

Jan dùrft!
En zo komen we terug bij Marijnissen en de paspoorten. Jan steekt zijn nek uit, want de weerstand, ook bij zijn achterban, om zich trots en kwetsbaar op te stellen, openlijk zijn identiteit te tonen en daaraan en daarmee te werken, is groot en cultureel bepaald. Ze is onderdeel van de geperverteerde identiteit van de waterschappers. Het is moedig, om daar, zo nodig, tegenin te gaan. Dat is precies wat Jan in De Telegraaf deed. Wat hij zei, was niet in de eerste plaats een boodschap aan Aboutaleb en aan Albayrak. Agnes Kant heeft dat intussen ook al rechtgezet. Het was een boodschap aan de eigen achterban: Wees trots op je identiteit als Nederlander. Ga er zorgvuldig mee om en laat hem je niet, ook niet gedeeltelijk, afpakken.

Het Kàn Verkeren (Breero, 1624)
Heel lang geleden, toen Erik Meyer en ik nog heel jong en groen waren, verschilden hij en ik in ons woninkje in Betondorp ernstig van mening op dit punt. Erik vond dat "nationalisme" gevaarlijk was voor arbeiders. Ik zag -een beetje- de kracht ervan, zoals ik die nu en hier zie. Intussen houdt Erik al weer jarenlang voor de SP een zetel in het Europese Parlement warm. Of, beter gezegd, lauw. Met zijn vermogen tot identificatie met standpunten die hij slechts onder zelfopoffering kan vertegenwoordigen, is hij daar kampioen van de negatie van Europa ten behoeve van een Nederlands nationalisme, dat, zoals hij ook weet met een aktieve betrokkenheid bij het Europese niveau niet in strijd hoeft te zijn. Maar de SP heeft zich nog niet durchgerungen tot het inzicht, dat ook Europese solidariteit, dus: trots op die Europese identiteit, nodig is voor de moderne arbeider, pardon: werknemer.

Dat gaat echter ook nog wel komen. Misschien al gauw. Tenslotte is de SP opgestegen van buurtniveau, via dorps- en kleinsteeds niveau naar landelijk peil. Jan zit in het buitenland. Dat is een goed begin. Straks, we zullen het nog meemaken, voert de SP actie voor een sterker, solidair Europa, beschermster van sociale verworvenheden, aaneengesmeed door een basisverdrag dat mensenrechten, minimumlonen, veiligheid en eerlijke pensioenen regelt. Die de funeste gevolgen van globalisering en delocatie tegenhoudt. Kan Harry van Bommel naar het museum, waar we trots op hem kunnen zijn. Want hij blijft één van ons.

Kijk, dat is nou identiteit, waarzonder soldariteit niet gedijt!
Related Posts with Thumbnails